De werknemer is op 1 mei 2025 in dienst getreden bij de werkgever. Op 31 juli 2025 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2025 is beëindigd.
De werknemer vindt dat de werkgever tekort is geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst door ten onrechte niet uit te keren wat daarin is afgesproken. De werknemer wil daarom dat de de kantonrechter de werkgever veroordeelt tot betaling van het achterstallig loon en de nog te vervallen toekomstige betalingen.
Overeenkomst niet volledig nagekomen
Als onbetwist staat vast dat de werkgever de op grond van de vaststellingsovereenkomst te betalen bedragen niet tijdig heeft voldaan (met uitzondering van de netto-uitkering van € 1.351,16) en dat hij de overeenkomst dus niet volledig nakomt. Dat heeft de hierna te noemen gevolgen.
Achterstallig loon
Partijen hebben afgesproken dat de werknemer recht heeft op loon tot het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 oktober 2025. De werkgever zou het loon over juli 2025 uiterlijk op
6 augustus 2025 aan de werknemer betalen, en de overige loonbetalingen zouden zoals gebruikelijk uiterlijk op de laatste dag van elke maand plaatsvinden.
Aangezien de werkgever het loon over juli, augustus en september 2025 tot nu toe niet heeft voldaan, is de loonvordering van de werknemer toewijsbaar. Daarnaast is de werkgever vanaf de (respectievelijke) dag van opeisbaarheid ook de (vervallen) wettelijke rente verschuldigd. Hieronder valt ook de in de dagvaarding gespecificeerde € 8,52, die anders dan ter zitting met de werknemer is besproken betrekking heeft op het salaris over de maand juli 2025.
Beëindigingsvergoeding en vergoeding voor juridische kosten
Ook hebben partijen afgesproken dat de werknemer recht heeft op een beëindigingsvergoeding ter hoogte van de transitievergoeding (€ 279,20 bruto) en op een vergoeding voor juridische kosten (€ 700 exclusief btw). Deze vergoedingen moet de werkgever volgens de vaststellingsovereenkomst uiterlijk op 1 november 2025 betalen.
De kantonrechter oordeelt dat het in de gegeven omstandigheden voldoende aannemelijk is dat de werkgever deze vergoedingen niet zonder meer uitbetaalt, zodat de werkgever daartoe wordt veroordeeld. Voor zover deze betalingen niet tijdig worden verricht, is de werkgever vanaf 1 november 2025 ook de wettelijke rente daarover verschuldigd.
Nettobedrag uitbetalen
Ten aanzien van het verweer van de werkgever dat hij slechts het nettoloon verschuldigd zou zijn, overweegt de kantonrechter dat de werkgever verplicht is de gebruikelijke looninhoudingen toe te passen. Na deze inhoudingen moet de werkgever het resterende nettobedrag aan de werknemer uitbetalen. De werkgever moet daarvan ook deugdelijke bruto/netto specificaties aan de werknemer verstrekken.
Eindafrekening
Verder moet de werkgever uiterlijk één maand na het einde van de arbeidsovereenkomst (uiterlijk op 1 november 2025) een bruto/netto eindafrekening met vakantietoeslag aan de werknemer verstrekken. De werkgever wordt daartoe ook veroordeeld. De kantonrechter stelt de gevorderde dwangsom op € 100 per dag omdat die in deze situatie een voldoende prikkel tot nakoming is. Aan de dwangsom wordt een maximum verbonden van € 2.500.
Uitspraak Rechtbank Noord-Holland, 16 oktober 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:12286

