De werknemer eist dat de werkgever meewerkt aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een transitievergoeding en vordert ook betaling van een billijke vergoeding. Maar de wettelijke grondslag voor toekenning van een billijke vergoeding bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden ontbreekt.
Heeft de werknemer toch recht op een billijke vergoeding nu de situatie tijdens de procedure is veranderd, omdat de werkgever de arbeidsovereenkomst met ontslagvergunning van het UWV heeft beëindigd? Wat oordeelt de rechtbank?
De werknemer heeft ter zitting zijn eis verminderd omdat UWV een ontslagvergunning heeft verleend en de werkgever op basis van die vergunning is overgegaan tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Ook is de transitievergoeding overgemaakt en heeft er een eindafrekening plaatsgevonden waarbij de werkgever onder meer de niet genoten vakantiedagen en het vakantiegeld aan de werknemer heeft uitgekeerd.
Billijke vergoeding betalen?
In de kern gaat het nog om de vraag of de werkgever een billijke vergoeding moet betalen.
De werkgever heeft aangevoerd dat de werknemer alleen nog betaling vordert van een billijke vergoeding van € 50.000 omdat de werknemer van mening is dat de werkgever ernstig verwijtbaar jegens hem heeft gehandeld en dat zo’n vordering thuis hoort in een verzoekschriftprocedure en alleen daarom moet worden afgewezen.
Ook heeft de werkgever – met verwijzing naar het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden van 14 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7182– aangevoerd dat er geen grondslag is voor toekenning van een billijke vergoeding.
Wettelijke grondslag?
Het verweer van de werkgever dat er geen grondslag bestaat voor toekenning van de billijke vergoeding, slaagt deels. Zoals in het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden van 14 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7182 ook is overwogen, is het nog maar de vraag op welke wettelijke grondslag een billijke vergoeding is gebaseerd als de werkgever volgens de werknemer moet instemmen met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden onder toekenning van een transitievergoeding.
Opzegging, ontbinding of beëindiging van rechtswege
Het wettelijk stelsel koppelt (in specifiek in de wet omschreven situaties) een billijke vergoeding aan opzegging, ontbinding of beëindiging van rechtswege, maar zo’n aanknopingspunt zou er dan niet meer zijn. Op welke wijze de werknemer toch, na beëindiging met wederzijds goedvinden, recht zou hebben op een billijke vergoeding, heeft hij ook niet inzichtelijk gemaakt. De vordering van de werknemer is niet toewijsbaar.
Ontslagvergunning
Maar in dit geval is de situatie echter na het uitbrengen van de dagvaarding veranderd. UWV heeft namelijk op 14 januari 2021 een ontslagvergunning verleend waarop de werkgever de arbeidsovereenkomst bij brief van 21 januari 2021 tegen 1 mei 2021 heeft opgezegd. De arbeidsovereenkomst is nu dus beëindigd.
Ernstig verwijtbaar handelen
De kantonrechter kan op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding toekennen als de opzegging wegens omstandigheden (langdurige arbeidsongeschiktheid) het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
De werknemer heeft gesteld dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de re-integratie moedwillig te dwarsbomen, alsmede door een verstoorde verstandhouding te veroorzaken na een uitbrander en tot slot omdat het dienstverband na twee jaar ziekte slapend is gehouden.
Geen billijke vergoeding
Een vordering – binnen twee maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst – moet worden ingeleid met een verzoekschrift. De werkgever heeft er dan ook terecht op gewezen dat de vordering tot toekenning van een billijke vergoeding op een onjuiste wijze is ingeleid.
Artikel 69 Rv geeft de kantonrechter de mogelijkheid om te bevelen dat deze procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure, maar deze bepaling strekt er toe om een met betrekking tot een inleidend gedingstuk gemaakte fout te herstellen. In dit geval is geen sprake van een fout.
Doelbewust dagvaardingsprocedure gestart
De werknemer heeft doelbewust een dagvaardingsprocedure gestart om ervoor te zorgen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt onder toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Hiervoor is al geoordeeld dat een wettelijke grondslag voor toekenning van een billijke vergoeding bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden ontbreekt. Dat er nu wel een (mogelijke) grondslag bestaat voor een billijke vergoeding, is alleen ingegeven door het feit dat de werkgever met de ontslagvergunning van het UWV in de hand is overgegaan tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.
Tegen die achtergrond oordeelt de kantonrechter dat niet kan worden geoordeeld dat er in dit geval sprake is van een foute procesinleiding waarvoor de wisselbepaling van artikel 69 Rv kan worden toegepast.
De vordering van de werknemer wordt afgewezen.
Uitspraak Rechtbank Noord-Holland, 15 juni 2021 (gepubliceerd 20 augustus 2025)

