Het komt in de praktijk geregeld voor dat een werkgever wijzigingen wil aanbrengen in de lopende pensioenregeling. Soms zijn deze wijzigingen ingegeven door gewijzigde wetgeving, maar regelmatig ook doordat de werkgever lagere of meer beheersbare pensioenlasten wil. De wetgeving is duidelijk over het wijzigingstraject. Naast de eventuele instemming van de ondernemingsraad, moeten alle werknemers individueel instemmen met de wijziging van hun pensioenovereenkomst, tenzij de werkgever een beroep kan doen op het zogenoemde zwaarwichtig belang. Of sprake is van zo’n zwaarwichtig belang wordt regelmatig getoetst in de rechtspraak, zoals onlangs in het tussenarrest van Gerechtshof Den Haag.
Bezwaar aan de kant geschoven
In deze casus ging het om het veranderen van een pensioenregeling bij een verzekeraar. De werkgever besloot om de middelloonregeling te wijzigen in een beschikbare premieregeling. Dit gebeurde met goedkeuring van de ondernemingsraad. De instemming van de werknemers werd verkregen door middel van een negatieve optie. De werknemers ontvingen informatie over de impact voor hun persoonlijke situatie en konden aangeven bezwaar te hebben tegen de wijziging. Een beperkt aantal werknemers gaf aan bezwaar te hebben. Dit bezwaar werd echter door de werkgever eenvoudigweg terzijde geschoven met de mededeling dat iedereen akkoord was.
In eerste instantie onderzocht de rechtbank, op verzoek van de werknemers, de kwestie. De rechtbank oordeelde dat het traject door de werkgever niet geheel correct was verlopen, maar oordeelde ook dat de werknemers geen nadeel hadden ondervonden door de wijziging van hun pensioenovereenkomst.
Niet zonder instemming wijzigen
Het Hof kwam vervolgens tot een andere conclusie. De werkgever had de pensioenregeling niet zonder de instemming van de werknemers mogen wijzigen. De werknemers die tegen de wijziging hadden gestemd, hebben nog recht op de oude pensioenregeling, namelijk de middelloonregeling bij de verzekeraar.
Het verweer van de werkgever dat er sprake was van een zodanig zwaarwichtig belang, dat het belang van de werknemers hiervoor moest wijken (artikel 19 Pensioenwet) vond geen gehoor bij het Hof. Ook de stelling dat de ondernemingsraad namens de werknemers mocht instemmen met de wijziging overtuigde het Hof niet.
Schadevergoeding voor werknemers
Het logische gevolg van de uitspraak is dat voor de betrokken werknemers de oude middelloonregeling weer hersteld moet worden. Door de invoering van de Wet toekomst pensioenen is dit echter niet meer mogelijk. Daarom besloot het Hof dat de werknemers een schadevergoeding moeten krijgen.
Het Hof merkt op dat de compensatieregeling die de werkgever had berekend bij de wijziging niet voldoende is om de schade te dekken. Volgens deze berekening zouden de betrokken werknemers geen compensatie krijgen. Ook de berekening van de schade die door de betrokken werknemers was ingediend, gebaseerd op de wettelijke rekenregels voor de gelijkwaardigheid van een pensioenregeling aan die van een bedrijfstakpensioenfonds, is volgens het Hof niet de meest geschikte berekeningswijze.
Uniforme Rekenmethode (URM)
Het Hof gebruikt de Uniforme Rekenmethode (URM) uit de Pensioenwet. Deze methode moet worden gebruikt door pensioenuitvoerders om deelnemers te informeren. Hierbij moet worden gekeken naar de resultaten in verschillende economische scenario’s. De werknemer moet vervolgens worden geïnformeerd over de mediaan (gemiddelde uitkomst), een slechtweerscenario (100e uitkomst) en een goedweerscenario (1.900e uitkomst).
Slechtweerscenario
Omdat in deze casus sprake is van een gegarandeerde middelloonregeling als uitgangspunt en de huidige regeling een beschikbare premieregeling is met een voor de werknemer onzekere pensioenuitkomst, gaat het Hof uit van een schadevergoeding die is gebaseerd op het slechtweerscenario. De voorwaardelijke indexatie moet ook in de berekening meegenomen worden op basis van een zo goed mogelijke simulatie van de toekomstige winstdeling in het oude contract.
Financiële gevolgen werkgever
De casus op zichzelf laat zien dat het wijzigen van een pensioenregeling zonder de instemming van de individuele werknemers geen goed idee is en slecht kan aflopen voor de werkgever. Het argument dat de pensioenlast in de toekomst te hard gaat oplopen, is geen reden voor de eenzijdige wijziging.
Omdat het herstellen van de middelloonregeling met terugwerkende kracht volgens de huidige wetgeving niet mogelijk is, en de toekomstige pensioenopbouw in de premieregeling dus een feit is, kent het Hof aan de betrokkenwerknemers een schadevergoeding toe. De pensioenuitkomsten op de pensioendatum moeten worden vergeleken op basis van het slechtweerscenario. Voor het tekort dat in het nadeel van de werknemers uitvalt, moet een passende schadevergoeding worden toegekend.
Het exacte bedrag van de schadevergoeding per werknemer moet de werkgever nog berekenen. De vergelijking tussen een gegarandeerde uitkering met mogelijke indexatie en de uitkomst van een beschikbare premieregeling in een zeer slecht economisch scenario (lage of zelfs negatieve beleggingsrendementen) zal waarschijnlijk leiden tot aanzienlijke schade.
Beroep op dwaling?
Daarnaast is er nog de vraag over de mogelijke gevolgen van deze uitspraak voor de werknemers die wel hebben ingestemd met de wijziging van hun pensioenregeling. Kunnen zij nu een beroep doen op dwaling bij hun instemming en moeten zij dan ook een schadevergoeding ontvangen?
Meer weten?
Wil je meer weten over de financiële risico’s voor de werkgever bij het (eenzijdig) wijzigen van de pensioenregeling van de werknemers, en dan vooral hoe dit te voorkomen? Neem dan contact op met de contactpersoon van Forvis Mazars of rechtstreeks met Paul van Ravenzwaaij van Pellicaan Advocaten per e-mail of per telefoon: +31 (0)88 627 22 39.

