De werkgever heeft geen wettelijke of contractuele plicht om het vervoer van de werknemer van en naar zijn werk te regelen.
In het kort
De werkgever deelt de werknemer mee dat hij voor het woon-werkverkeer geen gebruik meer mag maken van de onverplicht aan hem ter beschikking gestelde bedrijfsbus/-auto. De werknemer verlaat daarna de werkplek en weigert vervolgens te hervatten. De arbeidsovereenkomst wordt op verzoek van de werkgever ontbonden op grond van (ernstig) verwijtbaar handelen/nalaten.
Wat is de situatie?
De werknemer, een onderbewindgestelde, is op 9 januari 2023 voor de duur van één jaar krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst van de werkgever getreden in de functie van algemeen medewerker.
De werknemer is van begin af aan regelmatig niet op het werk verschenen. Hij meldde zich dan op het laatste moment af wegens ‘problemen thuis’ en bleef vervolgens telefonisch onbereikbaar voor de werkgever.
Op enig moment had de werknemer geen beschikking meer over eigen vervoer. De werkgever heeft hem toen uit coulance toegestaan dat hij voor het woon-werkverkeer gebruik maakte van de bedrijfsbus/-auto van de werkgever.
De werkgever heeft enkele maanden later de werknemer medegedeeld dat hij voor woon-werkverkeer niet langer gebruik mocht maken van de bedrijfsbus/-auto.
Op 31 maart 2023 heeft de werknemer aan de werkgever rond 11.00 uur medegedeeld dat hij stopte met werken omdat hij geen vervoermiddel had om naar het werk te komen. Hij heeft toen gezegd “Ik ga niet fietsend of met de bus naar het werk, dus daarom blijf ik thuis” of woorden van die strekking. De werknemer is toen door zijn broer bij de werkgever opgehaald.
Werkweigering
De werkgever heeft bij brief van 31 maart 2023 de werknemer medegedeeld dat hij zonder geldige reden naar huis gegaan is en dat dit werkweigering is. Verder heeft zij de werknemer in die brief medegedeeld dat hij de gelegenheid heeft zijn werk te hervatten en dat, als hij niet hervat, de betaling van het loon wordt opgeschort vanaf 3 april 2023.
De werknemer heeft niet gereageerd op de brief van de werkgever en na 31 maart 2023 niet meer voor de werkgever gewerkt.
Verzoek om ontbinding arbeidsovereenkomst
de werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met de werknemer op zo kort mogelijke termijn te ontbinden en daarbij te bepalen dat bij het vaststellen van de einddatum van de arbeidsovereenkomst geen rekening gehouden dient te worden met de geldende opzegtermijn.
Omdat de goederen van de werknemer onder bewind gesteld zijn en de bewindvoerder de bewindvoerder van die goederen is, is niet de werknemer maar de bewindvoerder de formele procespartij in dit geschil.
De bewindvoerder is niet in het geding verschenen.
Oordeel kantonrechter
De brief waarin de griffier de bewindvoerder heeft opgeroepen om ter zitting te verschijnen, is aangetekend verzonden naar het adres van de bewindvoerder. Dat de bewindvoerder de brief ontvangen heeft, blijkt ook wel uit het feit dat hij de werkgever via e-mail heeft laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.
De stellingen van de werkgever zijn door de bewindvoerder niet betwist. De kantonrechter gaat daarom uit van die juistheid van die stellingen.
Geen wettelijke of contractuele plicht
Het is niet de wettelijke of contractuele plicht van de werkgever om het vervoer van de werknemer van en naar zijn werk te regelen. Niet valt in te zien waarom de werknemer (nadat hij niet meer gebruik mocht maken van de onverplicht door de werkgever ter beschikking gestelde bedrijfswagen) niet zelf zijn vervoer van en naar de werkgever heeft geregeld.
Ernstig verwijtbaar gehandeld
De werknemer heeft dus zonder goede gronden vanaf 31 maart 2023 geen werkzaamheden meer verricht voor de werkgever terwijl hij daartoe wel verplicht was op grond van de arbeidsovereenkomst. Met de werkgever is de kantonrechter van oordeel dat de werknemer hierdoor ernstig verwijtbaar jegens de werkgever heeft gehandeld/nagelaten. Hieruit volgt dat het verzoek van de werkgever wordt toegewezen.
De arbeidsovereenkomst wordt dus ontbonden en de einddatum zal, zonder rekening te houden met een opzegtermijn, worden vastgesteld op de datum van de uitspraak.
Uitspraak Rechtbank Limburg, 1 december 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:6913

