De werknemer heeft recht op achterstallig loon.
De kantonrechter stelt voorop dat op de werknemer de stelplicht en bewijslast rusten voor wat betreft de feiten waaruit zou volgen dat hij aanspraak kan maken op inschaling in loonschaal D.
Voor de functie-indeling op grond van artikel 18 cao wordt verwezen naar het functieboek, dat de werknemer bij zijn akte heeft overgelegd.
Geen inschaling in loonschaal D, maar in loonschaal C
De werknemer stelt dat in het functieboek geen functie-typering staat die exact aansluit bij zijn werkzaamheden, maar dat zijn werkzaamheden het meest overeenkomen met de werkzaamheden voor de functietypering D.01.17 “Chauffeur distributie palletgoed, internationaal ongeregeld vervoer”. De werkgevers betwist dat gemotiveerd.
De kantonrechter overweegt dat er twee essentiële onderdelen ontbreken bij de werkzaamheden van de werknemer voor de functietypering D.01.17. Zo verrichte de werknemer geen meerdaagse ritten en reed hij geen ritten met bestemmingen in zowel de (gehele) Benelux als Duitsland.
Naar het oordeel van de kantonrechter sluiten de werkzaamheden van de werknemer daarom onvoldoende aan bij functietypering D.01.17. Evenmin is gesteld noch gebleken dat het werk van de werknemer in overwegende mate valt onder één van de andere functietyperingen in functieklasse D. De kantonrechter zal daarom uitgaan van een inschaling in loonschaal C.
Op welke trede ingeschaald?
Vervolgens komt aan de orde op welke trede van loonschaal C de werknemer moet worden ingeschaald. Artikel 19 lid 1 cao bepaalt dat bij de indiensttreding de werknemer wordt ingeschaald in de bij zijn functie behorende loonschaal op de trede die overeenkomt met het aantal onafgebroken ervaringsjaren in dezelfde of soortgelijke functie, zowel in deze als in andere bedrijfstakken, direct voorafgaande aan de indiensttreding. Bij de vaststelling van het aantal ervaringsjaren blijven onderbrekingen van minder dan twee jaar buiten beschouwing.
De werknemer stelt dat hij moet worden ingeschaald op trede 3, omdat hij vanaf zijn indiensttreding bij werkgever 2 op 7 mei 2019 drie ervaringsjaren had opgebouwd toen hij op 1 juni 2022 in dienst trad bij de werkgevers. De werkgevers voeren in dat kader aan dat geen sprake was van ervaringsjaren als chauffeur in het containertransport.
Ervaring in dezelfde of soortgelijke functie
De kantonrechter overweegt dat ervaring in de zin van artikel 19 lid 1 cao ruim moet worden geïnterpreteerd. Het gaat om ervaring in dezelfde of soortgelijke functie, zowel in dezelfde als in andere bedrijfstakken. De werknemer was bij werkgever 2 koerier evengoed als bij de werkgevers werkzaam als chauffeur in het beroepsgoederenvervoer. Dat zijn dezelfde, of in ieder geval soortgelijke, functies.
Van onderbrekingen van twee jaar of langer tussen de dienstverbanden met werkgever 2 en met de werkgevers is geen sprake. De ervaring die de werknemer bij werkgever 2 heeft opgebouwd, telt daarom mee voor de inschaling van de werknemer bij de werkgevers.
Recht op loontrede 3
Uitgaande van de indiensttreding van de werknemer bij werkgever 2 op 7 mei 2019 had hij bij indiensttreding bij de werkgevers op 1 juni 2022 al drie ervaringsjaren opgebouwd, zodat hij vanaf 1 juni 2022 tot zijn uitdiensttreding op 2 december 2022 recht had op loontrede 3.
Recht op loon in loonschaal C3
Gelet op het bovenstaande oordeelt de kantonrechter dat de werknemer gedurende zijn dienstverband bij de werkgevers recht had op het loon in loonschaal C3, vermeld in artikel 25 cao. Dat loon bedraagt € 2.383,27 bruto per maand, oftewel € 13,70 bruto per uur.
Verzoek a: loon
Aan de hand van de door de werknemer overgelegde loonberekening, aangepast naar het loon in loonschaal C3, komt de werknemer aan loon (inclusief niet weersproken overuren) toe: € 16.558,07.
De werknemer heeft in zijn loonberekening voor de maanden oktober, november en december 2022 een post opgenomen voor 22,75% aan ziekengeld over overuren.
De kantonrechter begrijpt dat de werknemer zich daarbij kennelijk beroept op artikel 16 lid 1 sub d van de (algemeen verbindend verklaarde) cao. Daarin is namelijk bepaald dat de werknemer bij ziekte recht heeft op 22,75% over het gemiddelde aan overuren dat hij in de voorgaande weken heeft gewerkt. De werknemer heeft echter geen onderbouwing gegeven waaruit blijkt hoe hij de overuren heeft berekend.
Geen ziekengeld over overuren
De berekening van de werknemer kan in ieder geval niet juist zijn. Hij gaat daarbij namelijk uit van zijn reguliere basisuren c.q. basismaandloon (32 uren voor de vier ziektedagen eind oktober, € 2.537,36 voor november en 16 uren voor de twee ziektedagen in december). De vergoeding voor ziekengeld over overuren wijst de kantonrechter daarom af.
Op het totaalbedrag van € 16.558,07 bruto strekken in mindering de niet weersproken loonbetalingen van de werkgevers en de correcties daarop van in totaal € 9.896,75 bruto (vijf maal € 1.979,35 bruto, uitbetaald voor de maanden juli tot en met oktober 2022; de werkgevers erkent in de antwoordakte dat er over de periode van 1 november tot 2 december 2022 geen loon is betaald), zodat resteert een bedrag van € 6.661,32 bruto. De kantonrechter zal dat bedrag toewijzen.
Verzoek b: onkosten
Op grond van artikel 40 cao heeft de werknemer, onder omstandigheden, recht op vergoeding van verblijfskosten. De werknemer heeft per maand en vervolgens per dag gespecificeerd welke bedragen aan hem toekomen aan verblijfskostenvergoedingen.
De werkgevers betwisten dat zij deze verblijfsvergoedingen zijn verschuldigd. Voor zover de werkgevers meent dat de werknemer geen vergoeding toekomt voor de door hem opgevoerde dagen of dat hij de vergoeding onjuist heeft berekend, had het gelet op de specificaties van de werknemer op de weg van de werkgevers gelegen om te concretiseren op welke dagen de werknemer volgens hen geen verblijfsvergoeding toekomt of welke vergoedingen niet juist zijn berekend. Dat hebben de werkgevers niet gedaan. Zij hebben hun betwisting daarom onvoldoende gemotiveerd om de specificaties van de werknemer op dit onderdeel te weerleggen. De kantonrechter zal die specificaties daarom volgen en het verzoek van de werknemer tot betaling van € 321,77 aan onkosten toewijzen.
Verzoek c: vakantietoeslag
Op grond van artikel 69 cao heeft de werknemer recht op 8% vakantietoeslag over het basisloon. Uitgaande van het basisloon van € 14.518,82 (6 * € 2.383,27 en € 219,20) heeft de werknemer recht op € 1.161,51 bruto aan vakantietoeslag. Dat bedrag wordt toegewezen.
Verzoek d: vakantie-uren
In zijn loonberekening van december 2022 heeft de werknemer onder “Verlofregistratie” vermeld dat hij een saldo van 33,65 uur aan vakantie-uren heeft opgebouwd tijdens het dienstverband met de werkgevers . de werkgevers heeft de juistheid van dat saldo niet weersproken.
Uitgaande van het uurloon van € 13,70 bruto, vermeerderd met 8% vakantiebijslag, komt de werknemer voor 33,65 vakantie-uren een vergoeding toe van € 497,89 bruto. Dat bedrag wijst de kantonrechter toe.
Verzoek e: ATV-uren
De loonberekening van december 2022 onder “Verlofregistratie” vermeldt daarnaast een saldo van 13,98 aan ATV-uren. De juistheid van dat saldo is evenmin door de werkgevers weersproken. Uitgaande van het uurloon van € 13,70 bruto, vermeerderd met 8% vakantiebijslag, komt de werknemer daarvoor een vergoeding toe van € 209,96 bruto. Dat bedrag wordt toegewezen.
Verzoek f: transitievergoeding
Aan de hand van het maandloon van € 2.383,27 bruto, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en de gemiddelde overwerkvergoeding van € 339,88 bruto per maand, alsmede de duur van het dienstverband van 1 juni tot en met 2 december 2022, bedraagt de transitievergoeding van de werknemer conform de berekening in artikel 7:673 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) een bedrag van € 490,96 bruto. De kantonrechter wijst dat bedrag toe.
Verzoek g: wettelijke verhoging
Op grond van artikel 7:625 BW is de werkgevers de wettelijke verhoging verschuldigd over het niet-tijdig betaalde loon. De kantonrechter zal de wettelijke verhoging, zoals verzocht, toewijzen over het achterstallige loon ad € 6.661,32 bruto en over de vakantietoeslag ad € 1.161,51 bruto, met dien verstande dat gelet op de omstandigheden van het geval de wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 10%. Ter zake zal daarom een bedrag van € 782,28 worden toegewezen.
Verzoek h: wettelijke rente
De wettelijke rente is niet weersproken. Die wordt – over het toewijsbare gedeelte van de hiervoor genoemde posten – toegewezen op de wijze zoals verzocht.
Verzoek i: buitengerechtelijke incassokosten
Het door de werknemer verzochte bedrag van € 888,36 aan buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen.
Beslissing kantonrechter
De kantonrechter veroordeelt de werkgevers tot betaling aan de werknemer van:
- € 6.661,32 bruto aan achterstallig loon;
- € 321,77 aan netto onkosten;
- € 1.161,51 bruto aan vakantietoeslag;
- € 497,89 bruto aan niet-genoten vakantie-uren;
- € 209,96 bruto aan niet-genoten ATV-uren;
- € 490,96 bruto aan transitievergoeding;
- € 782,28 aan wettelijke verhoging;
- de wettelijke rente over de bedragen vanaf de dag der opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening;
- € 888,36 aan buitengerechtelijke incassokosten.
Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 september 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:6325

