Een man heeft diverse vorderingen in het kader van een gestelde arbeidsovereenkomst. De kantonrechter komt tot de conclusie dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en wijst de vorderingen af. De man wordt veroordeeld in de proceskosten wegens misbruik van procesrecht.
Een man heeft jaren als werknemer voor het bedrijf gewerkt en zijn loon ontvangen. Pas onlangs stelt hij zich op het standpunt dat er door het bedrijf en aan haar gelieerde bedrijven bedrog is gepleegd en gelden ten onrechte zijn onttrokken of achtergehouden van de man. Hier heeft de man tijdens zijn dienstverband nooit over geklaagd.
De kantonrechter overweegt dat niet is gebleken van een rechtshandeling op grond waarvan het bedrijf mocht begrijpen dat de man ex artikel 6:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW) afstand deed van zijn eventuele rechten. Bovendien stelt de man dat hij in die tijd niet op de hoogte was van de door hem gestelde constructie en deze pas onlangs heeft doorgrond. Het voorgaande leidt ertoe dat niet kan worden aangenomen dat de man zijn rechten heeft verwerkt.
Arbeidsovereenkomst betekent loon betalen
De man stelt dat zijn arbeidsovereenkomst op enig moment is ondergebracht in bedrijf7 GmbH, later genaamd bedrijf8 GmbH, zonder dat dit voor hem op dat moment kenbaar was, waarbij het bedrijf alleen is gaan optreden als salarisverwerker.
Er is in Nederland een constructie blijven bestaan op grond waarvan de man voor 25% van zijn werktijd in dienst bleef in Nederland. Op deze manier kan de man als werknemer ingeschreven blijven staan in Nederland.
Het bedrijf is uit hoofde van die constructie verplicht om het basisloon van € 3.066,15 bruto te voldoen op het moment dat de man geen opdracht uitvoert en een aanvulling op dat loon (naar afgesproken uurloon) op het moment dat de man bij een klant een opdracht uitvoert.
Het bedrijf is daarnaast verplicht om opdrachten voor de man te zoeken. Zij had echter uit hoofde van die constructie niet de bevoegdheid de arbeidsovereenkomst met bedrijf7 GmbH te (laten) ontbinden, omdat zij niet zijn werkgever is, zodat zij in de eerdere procedures tussen partijen niet de waarheid heeft voorgehouden aan de rechtbanken en het gerechtshof, waardoor onjuiste uitspraken zijn gedaan.
De arbeidsovereenkomst uit 2002, met een gewijzigde salarisconstructie in 2004, is dan ook doorgelopen, zodat het bedrijf gehouden is aan haar verplichtingen jegens de man te voldoen. Het voorgaande betekent dat de jaaropgave niet klopt en het bedrijf, naast het loon, ook wettelijke verhoging verschuldigd is geworden, aldus de man.
Einde arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2022
Het bedrijf voert aan dat zij, dan wel haar rechtsvoorgangster(s), tot 1 augustus 2022 de werkgever van de man waren. De man is ook altijd betaald door het bedrijf of haar rechtsvoorgangster(s) en heeft alleen voor die ondernemingen werkzaamheden verricht.
In meerdere procedures is inmiddels geoordeeld dat die arbeidsovereenkomst is geëindigd per 1 augustus 2022. Deze uitspraken zijn in kracht van gewijsde gegaan. Bovendien is al geoordeeld dat er geen grond is voor herroeping van die uitspraken. Ook die uitspraak is in kracht van gewijsde gegaan.
De man kan zich kennelijk niet neerleggen bij de uitkomsten van die procedures, maar kan daar geen verweer meer tegen voeren. Hooguit is in deze procedure nieuw dat de man zou zijn overgegaan op een andere onderneming binnen het concern, maar hiervan is nooit sprake geweest. Dit blijkt nergens uit en wordt door hem ook niet onderbouwd, zodat de man in strijd heeft gehandeld met zijn stel-, waarheids- en substantiëringsplicht, hetgeen al voldoende is om hem niet ontvankelijk te verklaren.
Voor zover er een reden is het gevorderde loon toe te wijzen, kan daarop geen dwangsom worden gesteld, nu er geen dwangsom kan worden gesteld op de betaling van een geldvordering. De vordering tot afgifte van de jaaropgave moet worden afgewezen, nu de man de mogelijkheid had die zelf op te zoeken en hem die op zijn verzoek is toegezonden.
Bindende beslissingen
Tussen partijen staat vast dat de man tegen de beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch niet in cassatie is gegaan en tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant geen hoger beroep heeft ingesteld. Deze zijn dan ook in kracht van gewijsde gegaan. Als gevolg daarvan hebben de in die beschikkingen genomen beslissingen op grond van artikel 236 Rv gezag van gewijsde en zijn bindend tussen partijen.
Het voorgaande betekent dat de beslissingen in die beschikkingen ook in deze procedure als vaststaand moeten worden beschouwd.
Geen sprake meer van arbeidsovereenkomst
Er moet in deze procedure dan ook vanuit worden gegaan dat de man op 1 november 2002 in dienst is getreden bij een rechtsvoorgangster van het bedrijf (waarover later meer), dat die arbeidsovereenkomst is vervangen door de tussen de man en de rechtsvoorgangster van het bedrijf gesloten arbeidsovereenkomst uit 2004, dat die overeenkomst is ontbonden door de kantonrechter per 1 augustus 2022 en dat de arbeidsovereenkomst uit 2002 nadien niet is gaan herleven. Dit zou betekenen dat er geen sprake meer is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, dan wel een andere arbeidsovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijf gehouden kan worden de man loon te betalen.
Bedrog gepleegd
De man stelt verder dat er bedrog is gepleegd door het bedrijf en andere aan haar gelieerde ondernemingen (in de eerdere procedures), waardoor de behandelend rechters en raadsheren van onjuiste feiten zijn uitgegaan. De kantonrechter begrijpt dat de man zich hiermee op het standpunt stelt dat die uitspraken herroepen zouden moeten worden, zoals bedoeld in artikel 382 onder a Rv.
Niet aannemelijk dat er een arbeidsovereenkomst is
De kantonrechter overweegt dat een dergelijke vordering ook al behandeld en afgewezen is door de kantonrechter te Oost-Brabant. Dat vonnis is ook in kracht van gewijsde gegaan. Dit betrof echter een vonnis in een kortgedingprocedure, zodat het vonnis in die zaak geen gezag van gewijsde heeft. Dat leidt er echter niet doe dat de vordering van de man in de onderhavige procedure wel toewijsbaar is, nu uit de overgelegde stukken niet aannemelijk wordt dat de arbeidsovereenkomst op enig moment in een Duitse GmbH is geplaatst.
Uit de overgelegde stukken, de arbeidsovereenkomsten en de loonafspraken met bedrijf6, volgt dat (de rechtsvoorgangster van) het bedrijf de partij was die de man detacheerde. Uit de overgelegde stukken van de Kamer van Koophandel volgt vervolgens niet dat bedrijf7 GmbH of bedrijf8 GmbH op enig moment de rechtsvoorgangster van het bedrijf is geweest, zodat niet is onderbouwd op welke wijze de arbeidsovereenkomst van de man in die GmbH’s terecht is gekomen.
De gestelde exploitatie van ‘Freelance […] B.V.’, die zou volgen uit de geldstromen tussen de verschillende ondernemingen, is evenmin aannemelijk geworden op basis van de nu voorhanden stukken, nu uit die stukken niet volgt dat die geldstromen zien op de man.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog dat, als het bedrijf (voor een deel van de arbeidsovereenkomst) als salarisverwerker is aan te merken, de man de verkeerde partij heeft gedagvaard, nu zij (voor dat deel van de vordering) dan geen zelfstandige betalingsverplichting heeft jegens de man. het bedrijf zou in dat geval immers alleen de opdrachtnemer zijn van de werkelijke werkgever.
Geen loon verschuldigd
Het voorgaande betekent dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het bedrijf nog loon verschuldigd is aan de man. De jaaropgave, zoals verstrekt door het bedrijf is juist. Tot slot is, nu geen loon verschuldigd is, ook geen wettelijke verhoging toewijsbaar.
Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 31 oktober 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:7599

