
Verzoek Inholland
De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:671b lid 1 jo 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub c tot en met i BW en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
Inholland heeft aan haar ontbindingsverzoek de zogenaamd g-grond (een verstoorde arbeidsverhouding) ten grondslag gelegd. Vooropgesteld wordt daarom dat de kantonrechter de vraag of het grensoverschrijdende en/of ongewenste gedrag dat de docent wordt verweten (en waarvan hij ontkent dat hij dit gedrag heeft vertoond) daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, onbeantwoord zal laten. Wel geldt dat de inhoud van de meldingen die zijn gedaan onsmakelijke gedragingen bevatten die -als deze gedragingen inderdaad hebben plaatsevonden- volstrekt onacceptabel zijn. Over het waarheidsgehalte van de aan de meldingen ten grondslag liggen gedragingen hoeft in deze procedure echter niet te worden geoordeeld. Voorts geldt dat een collega van de docent zich zo onprettig heeft gevoeld door gedragingen en opmerkingen van de docent, dat zij daarin aanleiding heeft gezien te vragen om niet meer met hem te hoeven samen te werken en vervolgens tot het doen van een informele en later formele melding, waarop Inholland actie diende te ondernemen.
G-grond
Dan wordt teruggekeerd naar de beoordeling van de g-grond in deze zaak. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de eerder weergegeven feiten en omstandigheden dat tussen Inholland en de docent sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van Inholland in redelijkheid niet is te vergen de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Uit de uitgebreid weergegeven correspondentie, de vele klachten en verwijten die de docent tegen Inholland, zijn leidinggevende, zijn directeur en een lid van het College van Bestuur heeft geuit, bij de verschillende instanties en bij Inholland zelf, de wijze waarop hij dat heeft gedaan en de bewoordingen die hij daarbij heeft gebruikt, tonen aan dat de verhoudingen duurzaam en grondig verstoord en verzuurd zijn geraakt.
Ondanks dat daar vele pogingen toe zijn ondernomen is het partijen niet gelukt om een oplossing te vinden voor het tussen hen ontstane conflict. In het bijzonder wordt in aanmerking genomen dat partijen reeds een mediationtraject hebben doorlopen, wat zonder oplossing is beëindigd. Daarna zijn partijen nog met elkaar in gesprek getreden, maar ook dat heeft niet tot een concrete oplossingsrichting geleid. Er hebben inmiddels vele procedures tussen partijen gelopen, waarbij met name vanuit de zijde van de docent scherpe verwijten zijn geuit jegens (medewerkers van) Inholland. Thans loopt er nog een procedure bij de handelsrechter te Amsterdam tussen partijen ten aanzien van mogelijke schending van rechten van de docent op grond van de AVG. Het geheel van deze gebeurtenissen geeft geen hoop op een (toekomstige) vruchtbare samenwerking tussen partijen.
Geen billijke vergoeding, wel een transitievergoeding
De kantonrechter concludeert verder onder meer dat de hogeschool sommige zaken anders had kunnen aanpakken, maar niet ernstig verwijtbaar handelde.
De kantonrechter is van oordeel dat in redelijkheid van Inholland niet meer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met de docent te laten voortduren en dat dus is voldaan aan het vereiste van een redelijke grond voor ontslag in de zin van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW.
Herplaatsing van de docent binnen Inholland ligt daarbij niet in de rede. Daarvoor is de arbeidsverhouding op alle niveaus (tot aan het College van Bestuur) te zeer verstoord geraakt.
De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van Inholland tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal toewijzen.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de docent een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op artikel 7:671b lid 9, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – niet voor.
Alhoewel de docent een groot aandeel heeft gehad in de verstoring, en de ontstane situatie in overwegende mate aan hem is te wijten, zijn zijn gedragingen niet van zodanige ernstige aard dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de docent. Hij heeft weliswaar grenzen overschreden, maar niet is gebleken dat hij dit heeft gedaan uit kwade wil. Daarin ligt eerder een groot – en onterecht – geloof in zijn eigen gelijk ten grondslag, waarin hij is blijven vast zitten. Dat is verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar. Nu er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de docent, heeft hij op grond van artikel 7:673 lid 1 BW recht op de transitievergoeding, welke in hoogte niet is betwist. Toegewezen zal dus worden een transitievergoeding van € 15.555,90 bruto.

